14 mei 2007: Openingsspeech van Z. E. mr. Frits Goedgedrag tgv de Lezingavond over Armoede - AMFO

Toespraak

VAN

Z.E. DE GOUVERNEUR VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN

MR. FRITS GOEDGEDRAG

  t.g.v. de AMFO-lezingen over Armoede en Effectieve Armoedebestrijding, Teatro Luna Blou, Curaçao

 

14 mei 2007, 19:00u

 

__________________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

 

Dames en Heren,

 

De Nederlandse Antillen, maar vooral Curaçao zijn de laatste maanden in de ban geweest van de slotverklaring. Begrijpelijk uiteraard, maar dat neemt niet weg dat de echte zaken waar het onze bevolking om te doen is, uit het zicht lijken te geraken. Daarom komt deze lezingavond van de AMFO als geroepen. Het is meer dan noodzakelijk dat wij ons weer gezamenlijk gaan concentreren op de bestrijding van de armoede die er ontegenzeggelijk op onze eilanden is.

 

Voordat we over armoedebestrijding gaan praten, wil ik met u eerst delen wat we onder armoede verstaan. Armoede is niet onder één noemer te plaatsen. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, de OESO definieert armoede als een multidimensioneel verschijnsel dat bestaat uit een economische dimensie (waaronder inkomen en werk), een menselijke dimensie (gezondheid, scholing, ontwikkeling), een politieke dimensie (zoals empowerment, rechten, zeggenschap) een sociaal-culturele (status, menselijke waardigheid) en een beschermingsdimensie (onzekerheid, risico, kwetsbaarheid). Als we dus over armoede en armoedebestrijding spreken is het goed deze verschillende dimensies onder ogen te zien.

 

Wij hebben in de Antillen niet te maken met levensbedreigende armoede zoals in grote delen van Afrika en in de grote steden van Latijns-Amerika. Daar moet meer dan 50% rondkomen van minder dan $800 per jaar, terwijl hier het gemiddelde inkomen boven de $15,000 per jaar ligt. Toch moeten wij ons bewust zijn van veel sociale ellende die veel medeburgers moeten doorstaan. Misère door een te scheve inkomensverdeling waar wij wat aan kunnen en moeten doen.

 

Wát we daar aan moeten doen is nagenoeg wel bekend vanuit de vele, diepgaande studies over armoede van recente datum. Ik verwijs daarbij naar de vele studies verricht door internationale organisaties, alsmede die van Reda Sosial. Nu gaat het erom hóe we armoede moeten bestrijden. Staat u mij toe dit toe te lichten:

 

Allereerst zal de bestrijding van armoede door allen gedragen moeten worden. Armoede is een collectief probleem, dat ons, op de een of ander manier allemaal raakt. Daarom, zal iedereen zijn steentje moeten bijdragen. Daarvoor is het dan wel noodzakelijk dat er draagvlak voor de aanpak is. Betrokkenen moeten zelf kunnen meebeslissen over hun eigen ontwikkeling. Het zomaar doordrukken van bijvoorbeeld een projectvoorstel is gedoemd te mislukken, zo leert ons de ervaring van armoedebestrijding. Zo geldt dat ook op beleidsniveau voor het armoedebeleid er een maatschappelijk draagvlak moet bestaan, anders worden onze beperkte middelen niet op de meest optimale manier besteed.

 

Ten tweede, en dat is gerelateerd aan de eerste voorwaarde, zullen de activiteiten ter bestrijding van de armoede in een groter verband beoordeeld moeten worden. Een geïsoleerd initiatief zal minder effectief zijn dan een project dat afgestemd is binnen een groter kader.

 

Ten derde geloof ik heilig in samenwerking met andere belangengroepen. Het gaat niet alleen om draagvlak, maar daar waar mogelijk, om samenwerking. Armoede wordt niet bestreden door de NGO-sector alleen, noch door de overheid. Het gaat om samenwerking tussen de sociale, de publieke en de private sector. Public-private partnership is een veelgehoorde kreet in de wereld van ontwikkelingssamenwerking. En terecht. Ook in de Nederlandse Antillen moeten we meer denken in termen van partnership. Het bevordert integratie, draagvlak en effectiviteit bij de concrete armoedebestrijding.

 

Tenslotte zullen we moeten accepteren dat we weliswaar heel veel zelf kunnen, maar dat we het niet alléén kunnen. Hulp van buitenaf is dáár waar we tekort schieten noodzakelijk en dus welkom.

 

-

Vervolgens gaat het er bij armoedebestrijding om met welke middelen de armoede bestreden moet worden. Economische groei verschaft die middelen. Groei die uit de productieve sectoren komt. Het stimuleren van economische activiteit in de particuliere sector leidt tot vergroting van de welvaart.

 

Echter, het zijn de omgevingsfactoren die bepalen of die groei wel of niet van de grond komt. Ik doel hier op het geheel van locale instituties zoals de effectiviteit van de publieke sector, de politiek-bestuurlijke stabiliteit, de kwaliteit van de rechtsstaat en die van de regelgeving en corruptiebestrijding. Dit bepaalt het investeringsklimaat en dus de mate van groei. Willen de armen daar echter van profiteren dan moeten ze wel mee kunnen doen. Ofwel, als je wilt dat er een pro-poor growth komt, zul je moeten investeren in grotere toegang van de armen tot bijvoorbeeld financiële diensten, training en scholing. Er moet voldoende rechtsbescherming zijn. De arbeidsmarkt moet voldoende flexibel zijn om arbeidskrachten makkelijk te kunnen absorberen. De kapitaalmarkt moet zo open zijn dat de toegang tot financiële middelen en de prijs daarvan optimaal zijn, ook voor de minderdraagkrachtigen. Er komt dus meer kijken bij het bevorderen van economische groei waar ook de armen van kunnen profiteren.

 

Eén van de meest besproken en toegepaste instrumenten ter bevordering van pro-poor growth is het midden- en kleinbedrijf. U weet ongetwijfeld dat Prinses Máxima daar een hartstochtelijke voorvechter van is. Voor heel veel landen in de wereld is het midden- en kleinbedrijf de motor van de economie en neemt een groot deel van de werkgelegenheid voor haar rekening. Voor ontwikkelde landen gaat het om bedrijven in de formele sector, in ontwikkelingslanden gaat het vooral (nog) om hun aandeel in de informele sector.

 

Ook in de Antillen mag het midden- en kleinbedrijf zich verheugen op een toegenomen aandacht. Cijfers van de meest recente studie van de Bank van de Nederlandse Antillen uit januari jl. geven aan dat de informele sector 11% van de totale nationale productie bedraagt. Het is voor ons land dus een niet te verwaarlozen factor voor de bestrijding van armoede. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat microbedrijven en eenmanszaken in de informele sector vaak onder de armoedegrens leven en hun bedrijvigheid gericht is op overleven, terwijl het formele midden- en kleinbedrijf in de gereguleerde economie opereert en daarbij welvaart creëert en dus voor groei kan zorgen. Tijdens mijn laatste werkbezoek aan SEDECK, ADECK en STIMUL-IT, organisaties ter versterking van het kleinbedrijf was het bemoedigend om te zien dat we op dat gebied voorop lopen. Zo wordt er bijvoorbeeld heel veel aandacht besteed aan ICT, waardoor de aansluiting bij de internationale, formele economie op een constructieve manier gefaciliteerd wordt.

 

Zo bestaan er vele programma’s en projecten die gericht zijn op de verbetering van het welzijn van onze bevolking. Maar daarmee zijn we er nog niet. Er moet nog veel gebeuren. En daar mogen wij niet eerder mee stoppen totdat eenieder op de eilanden van de Nederlandse Antillen zich op een menswaardig welvaartsniveau bevindt.

 

Ik wens u een leerzame, maar vooral constructieve lezingavond toe, opdat het eindresultaat uiteindelijk ten goede zal komen aan ons arme bevolkingsdeel.

 

 

- ☻ -