6 april 2006: Toespraak van Z.E. de Gouverneur van de Nederlandse Antillen mr F.M.D.l.S. Goedgedrag.
Excellenties, geachte genodigden, dames en heren,
Het is altijd een eer om een Naskho-congres te mogen openen en ditmaal doe ik dat met nog net íets meer genoegen. Het is namelijk zo, dat Naskho voor de organisatie van dit congres “Care: luxe of noodzaak?” haar krachten heeft gebundeld met de Stichting Federatie Zorginstellingen Nederlandse Antillen. Ik hoef in dit gespecialiseerde gezelschap niet uit te leggen, wat de Federatie is (het samenwerkingverband van Antilliaanse Zorginstellingen) en waar zij voor staat (te komen tot een verdere professionalisering van de Antilliaanse zorgsector).
Maar wat u misschien niet weet, is dat mijn echtgenote beschermvrouwe is van de SGR-groep, één van de leden van de Federatie. Mijn echtgenote heeft mij verzocht u allen veel wijsheid, visie en inspiratie te wensen en dat doe ik hierbij.
Dames en heren, u bent allen spreker op of deelnemer aan een zeer ambitieus congres.
De organisatoren hebben zich ten doel gesteld om het onderwerp “care” in al zijn facetten voor het voetlicht te brengen. En als ik kijk naar het aantal deskundige binnen- en buitenlandse sprekers dat de komende dagen acte de présence geeft, zullen de organisatoren zeker in die opzet slagen.
Wat zij verder beogen, is dat dit congres ertoe bijdraagt dat het thema care hoger op de politieke agenda wordt geplaatst. Niet eens zozeer, en dat verbaasde mij bijna, om van de overheid meer financiële middelen te krijgen. Maar vooral omdat de zorginstellingen worstelen met het antwoord op de vraag: wat is het minimumniveau van zorg, van care, dat de Nederlands Antilliaanse overheid haar burgers in het algemeen en de hulpbehoevenden, meest kwetsbaren in haar samenleving in het bijzonder, beschikbaar wil stellen?
In het verlengde daarvan volgen vragen als: hoe werken alle zorgverleners gezamenlijk en eendrachtig – we hebben het niet voor niets over ketenzorg – naar dat niveau toe? Hoe wordt het gewenste kwaliteitsniveau blijvend gewaarborgd? Welke controlemechanismen worden ingebouwd om daarop toe te zien? En natuurlijk ook: hoeveel mag dat alles kosten en hoe wordt dat gefinancierd?
Zo op het eerste gezicht betrekkelijk eenvoudige vragen. Maar met alle respect voor de hier verzamelde deskundigheid: het lijkt mij bijna onmogelijk dat u er de komende dagen in slaagt een helder en eenduidig antwoord op ál die vragen te formuleren. Dat hoeft ook niet. Wat van belang is, ik gaf dat net al aan, is dat er over care een brede maatschappelijke discussie wordt gevoerd.
Een discussie niet alleen nu en hier, als onder deskundigen onder elkaar, maar ook straks en elders. Zowel in de politieke arena, want er moeten zeer principiële keuzes worden gemaakt – ik kom daar zo op terug – als met de man in de straat. Ook hij dient in de discussie te worden betrokken. Al is het maar omdat hij uw lijdend voorwerp is, of aardiger uitgedrukt: hij behoort tot uw doelgroep.
Hij is het immers, die op enig moment een care-gerelateerde vraag ontwikkelt. Misschien als revalidatie- of thuiszorgpatiënt, misschien omdat hij wordt opgenomen in een bejaardentehuis. En hoewel er voor onze gemiddelde landgenoot dus geen ontkomen aan care is, lijkt het erop dat het onderwerp hem niet of nauwelijks bezighoudt. Vermoedelijk niet eens uit desinteresse, maar veel eerder uit onbekendheid met de materie. Dat is ook niet zo verwonderlijk.
Weliswaar behoort het opsluiten van verstandelijk of lichamelijk gehandicapten gelukkig al jaren tot het verleden, van een volledige integratie in het straatbeeld is geen sprake. Onze infrastructuur is bepaald niet ingericht op rolstoelgebruikers en dat geldt ook voor de overgrote meerderheid van de voor het publiek toegankelijke gebouwen. Eerlijkheid gebiedt mij te zeggen, dat ook het Paleis binnen Fort Amsterdam nú nog in die dubieuze eer deelt, maar wij werken hard aan een oplossing.
Overigens is de beperkte bekendheid met care – in al zijn facetten en vormen – niet uniek voor de Nederlandse Antillen. Zo heeft Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Máxima op 21 maart jongstleden het startsein gegeven voor Showdown, een beeldvormingscampagne rond het Downsyndroom en is die dag uitgeroepen tot World Down Syndrome Awareness Day.
Ik juich dat initiatief van harte toe, maar ik weet ook dat het tijd nodig zal hebben om vruchten af te werpen. Op dit moment is de realiteit dat care betrekkelijk onbekend is en velen het als ver van hun bed beschouwen. Daardoor lopen wij het risico dat de noodzakelijke brede maatschappelijke discussie over care vroegtijdig verstomt. Zou dat onverhoopt gebeuren, dan lijkt het een welhaast onmogelijke opgave om care hoger op de politieke agenda geplaatst te krijgen.
Dit congres kan de rol van discussie-aanjager vertolken, maar dames en heren, na afloop van de bijeenkomsten ligt de bal bij u. Dan is het aan u om de discussie op alle fronten gaande te houden en om in nauw overleg met alle betrokkenen, instanties en overheidsorganen de uiteindelijke uitkomsten van de discussie om te zetten in concrete daden.
Ik weet het: zorginstellingen zijn door liefdadigheid groot geworden en in die traditie past een eerder terughoudende dan assertieve opstelling, maar de tijd is aangebroken dat u dat schuchtere afwerpt en actief participeert in het belang van al die mensen in wier zorg u dagelijks met volle overgave voorziet.
U kunt geen afwachtende houding aannemen, want daarvoor komt er veel te veel op de zorgsector af. Ik sta kort bij drie ontwikkelingen stil.
Allereerst is daar de wetenschap dat onze bevolking in een hoog tempo vergrijst. Op dit moment is de gemiddelde levensverwachting in ons land 76,5 jaar en deskundigen becijferen dat in het jaar 2020 een kwart van onze bevolking ouder is dan zestig jaar. We weten allemaal dat de ouderdom inderdaad vaak met gebreken komt, dus de vraag naar ouderenzorg in de ruimst denkbare zin van het woord zal toenemen.
Een tweede ontwikkeling die zich openbaart, is de toename van zowel het aantal licht verstandelijk gehandicapten met psychiatrische stoornissen in de thuissituatie als het aantal meervoudig gehandicapten. Beide groepen hebben een geheel eigen, soms zeer complexe, zorgvraag waarin dient te worden voorzien.
Als derde en laatste omstandigheid die overduidelijk een schaduw op de zorgsector werpt, noem ik de zeer moeilijke sociaal-economische omstandigheden waarin een deel van onze bevolking leeft. Zaken als armoede, werkloosheid en criminaliteit zijn factoren die hun leven in toenemende mate compliceren en maken dat betrokkenen vaker dan voorheen een beroep doen op, vooral, geestelijke gezondheidszorg.
Dames en heren, als de voortekenen niet bedriegen, zal de vraag naar care in de nabije toekomst steeds verder stijgen. Die grotere vraag zal niet alleen een toename in care-gerelateerd aanbod creëren, welk aanbod – meer dan nu al het geval is – gereguleerd en gestructureerd dient te worden.
Ook is het reëel te veronderstellen, dat de stijging in de vraag naar care met een toename van de kosten gepaard zal gaan. Gezien de financiële problemen waarin ons land verkeert, en waarvan het einde helaas nog niet in zicht is, dringt de vraag zich op óf, en zo ja, hoe wij die kosten kunnen opbrengen.
Uit een recent IMF-rapport blijkt, dat er nu al 13% van ons bruto nationaal product wordt besteed aan de bestrijding van de kosten van de volksgezondheid. Louter voor uw beeldvorming: in Amerika is dat percentage het hoogst: 13,9. In Suriname gaat het om 9,8 en in Nederland om 8,9%.
Nú is het zo dat van alle gelden die aan volksgezondheid worden besteed, verhoudingsgewijs een klein deel (naar ik heb begrepen minder dan 30%) in de zorgsector terechtkomt. Maar gezien de groeiende zorgvraag is de vraag legitiem of die verdeling in de toekomst zo kan blijven. In het kader van de te voeren discussie ontkomen wij er ook niet aan om kritisch te bezien of het overheidsbudget wel blijvend ruimte zal bieden aan een verdere, mogelijk aanzienlijke, stijging van de kosten van de volksgezondheid in het algemeen en die van de zorgsector in het bijzonder.
Als die ruimte er niet blijkt te zijn, zijn er heel zwart-wit geredeneerd, twee opties. De eerste mogelijkheid is mijns inziens een louter theoretische. Zij behelst namelijk dat alles – ook in financiële zin – bij het oude blijft. De onafwendbare stijging van de zorgvraag leidt in dat geval onherroepelijk tot een afname van de kwaliteit van de zorg en daar is niemand bij gebaat.
Optie twee past geheel in de lijn van wat de organisatoren van dit congres voor ogen staat. Die optie behelst namelijk dat de zorgsector concreet in actie komt en open discussieert over en zoekt naar oplossingen om de problemen van de toekomst het hoofd te bieden. Het voert te ver, en anders dan u allen ben ik daar ook niet voor opgeleid, om u te vertellen waar die oplossingen in zouden moeten bestaan. Ik heb daar ook helemaal geen tijd meer voor: er zijn welgeteld tien minuten voor mijn openingstoespraak ingeruimd en ik vrees dat ik daar al overheen geschoten ben. Ik rond af.
Net als mijn echtgenote wens ik u allen wijsheid, visie en inspiratie. Ik heb er alle vertrouwen in dat u er de komende dagen met elkaar in slaagt een concrete oplossingsrichting in te slaan. Om u toch wat mee te geven voor uw discussies: wat mij betreft verandert u de titel van dit congres van de vraag “Care: luxe of noodzaak?” in de vaststelling: “Care: noodzaak!” Rest mij dit congres voor geopend te verklaren en u te danken voor uw vriendelijke aandacht.




